Lago Maggiore glom in fel wit ochtendlicht, de besneeuwde toppen van Cima di Bri en Cima dell’Uomo, beide zo’n 2500 meter hoog, helder zichtbaar. Het grote meer vormt een perfect vertrekpunt voor de betoverende Valle Verzasca en de Alpe di Neggia, twee spectaculaire beklimmingen in het Zwitserse kanton Ticino.

Donderdag: Valle Verzasca en Alpe di Neggia
Een dikke smog hing als een gordijn over de vlakte, dat openging eenmaal we de steile, twee kilometer lange toegang tot de Verzasca-vallei omhoog reden. Vandaag fluistert stilte tussen het groen, een dunbevolkte oase van rust, waar ooit ijsmassa’s het graniet sneden en smolten tot het water van Lago Maggiore.

De Verzasca-rivier glijdt als vloeibaar kristal over het glad gepolijst graniet. Kleine watervalletjes dwarrelen langs steile rotswanden, terwijl dorpen van natuursteen zich vastklampen aan de bergen. Vogorno en Lavertezzo zijn juweeltjes in dit alpine theater.

De klim voelt niet als een bergpas, eerder een 25 kilometer lange verbinding tussen dorpen in deze smalle gletsjervallei die zich door de Ticino Alpen slingert. Een kilometer voor de top veranderde de weg in ijs, geen doorkomen aan, en tijdens de afdaling werden we getart door een wind die harder onze gezichten blies dan de zwaartekracht ons naar beneden trok.

Terug aan het meer voelden vijftien kilometers strijd tegen de wind als een volgende beklimming, richting Italië, naar de voet van de Alpe di Neggia, een 20 kilometer lange col naar 1400 meter hoogte.

Tien haarspeldbochten leidden de machtige Veddasca-vallei in, naar een eerste top net onder de duizend meter. Een vervallen douanekantoor stond er verlaten, als een stille getuige. Terug in Zwitserland trok de mist als een sluier over de bergen. En dan, plots: een vos, amper een paar meter van ons vandaan, trippelend en onbevreesd, en dan langzaam in het bos verdwijnend. Een magisch, bijna onwerkelijk, moment.

Bovenop de pas strekte een alpenweide zich wit en stralend uit. Monte Gambaragno torende links, Monte Tamaro rechts, en voor ons ontvouwde zich een duizelingwekkende afdaling van 33 haarspeldbochten, de perfecte finale van een adembenemende rit.

Vrijdag: Gravel castello di Monteriggioni
Vorig jaar miste ik mijn Toscaanse traditie van begin maart, maar dit jaar… sono tornato! Om van ochtend tot avond op te gaan in Toscaanse landschapsschilderijen, het witte stof te doen oplaaien, te genieten van koffiepauzes in pittoreske heuveldorpjes, en de dag afsluiten met een bord pasta, was de route Gravel Castello di Monteriggioni een geknipte keuze.

De route is een parel van de gravelclub Gravel Bike Siena. Sinds 2020 organiseren ze elk jaar een gravel-event in oktober rond het eeuwenoude, ommuurde Monteriggioni. De route is pittiger, avontuurlijker dan de Gran Fondo Strade Bianche, met zowel klassieke strade bianche als ruwere wegen.

Vanaf ons verblijf, het middeleeuwse wijnkasteel Castello di Poggiarello, trok een 8 kilometer lange klim over een prachtige asfaltweg tot zo’n 500 meter hoogte. Drie lange beklimmingen op de route worden elk gevolgd door lange spectaculaire rollercoaster-afdalingen over asfalt en gravel. Een pretpark kan hier niet aan tippen.
(Lees verder onder de foto’s)


De rest van de rit rolde in het Toscaanse ritme van eindeloze heuvels, met een zinderend racegevoel dat nooit afnam. Na 33 km riep Casole d’Elsa, een van de vele pittoreske heuveldorpjes, ons naar een terrasje tegenover de kerk. De Italiaanse koffie verleidt je om de tijd op pauze te zetten, maar er lagen nog een pak kilometers voor ons.

Monteriggioni ligt imposant op een heuvel. Drie eeuwen lang vochten Firenze en Siena om de stad. De Republiek Siena bouwde het als versterkte vesting in de 13e eeuw, langs de Via Francigena, een pelgrimsweg van Calais naar Rome, waarvan verschillende delen op deze gravelroute liggen. Om er te komen, rijd je over een plateau tussen Castellino Scalo en Lorna dat zich op zo’n 300 meter hoogte uitstrekt, omgeven door wijndomeinen zover het oog reikt. Dit is al een aantal jaar één van mijn favoriete Toscaanse momenten: de brede witte gravelwegen die snijden door eindeloze wijngaarden in het roze avondlicht. Zittend op een caféterras tussen de muren van Monteriggioni, met koffie, hoe kan het ook anders, beseften we dat er nog een laatste klim wachtte: Montemaggio. In 1944 namen verzetsstrijders hun toevlucht in Casa Giubileo op deze berg, tijdens een hevige strijd tegen het fascistische leger.

In 2021 voerde ik hier strijd op een helse, steile 5 kilometer op de noordelijke flank. Nu bood het bos ons een andere, geleidelijke, bijna serene gravelklim. Zo’n 800 meter voor de top was het pikdonker. ‘Zou ik iets missen nu het donker is?’, vroeg ik me af. Misschien. Maar afdalen in het duister, met koplampen op asfalt en gravel, werd een magische ervaring op zich.
(Lees verder onder de foto’s)



Tip voor gravelfans: naast Gravel Castello di Monteriggioni kan je ook L’Eroica rijden. L’Eroica is een jaarlijks retro-event, maar de permanente route kan je uiteraard heel het jaar door rijden. Interessant weetje: de koers Strade Bianche komt voort uit L’Eroica, de originele route over Toscaanse witte wegen. Landschappelijk nog mooier, nog ruiger, en nog veel meer off-road dan de Strade Bianche. Voor een échte Toscaanse gravelervaring rijd je dus deze 200 km lange magistrale route van L’Eroica.

Zaterdag: koers!
Minuten na de start gleed het mannenpeloton voorbij, waarna wij aan slakkentempo naar de Fortezza Medicea in het hart van Siena klommen. Daar haalden we onze startnummers op voor morgen. De vrouwen volgden we op het grote scherm op het beroemde Piazza del Campo, waar we Elise Chabbey triomfantelijk als eerste over de meet zagen rijden. Daarna reden we een rustige 15 kilometer naar Le Tolfe, de laatste gravelstrook waar de mannen tweemaal passeren.
(Lees verder onder de foto’s)


Op de brute 17%-helling flitste de alien Tadej Pogačar razendsnel door een brullende menigte van wit stof. We ontspanden in de VIP-ruimte bij Le Tolfe (dank aan Italy Bike Tours), en reden terug naar Siena langs de laatste 10 kilometer van het Gran Fondo-parcours. Morgen is het onze beurt. Mijn doel: mijn persoonlijk record van 27,5 km/u verbeteren.
Zondag: Gran Fondo Strade Bianche
Hier is meteen het resultaat: Gran Fondo Strade Bianche voltooid in 4 uur 58 minuten, twee minuten sneller dan mijn vorige poging in 2024. Ik werd 1116e van 4263 finishers, beste resultaat in vijf deelnames. Gemiddeld 27,5 km/u, gelijk aan vorig jaar, maar de omstandigheden waren veel zwaarder.
De nacht ervoor had harde regen de strade bianche veranderd in plakkerige beige modder. Zuigende banden en spattend water op de ketting waren het resultaat. Snelheden daalden, energieverbruik steeg. Onfortuinlijk? Helemaal niet. Heroïsch. Episch. Dat wel. Overal krakende fietsen, modderige witte gezichten, en even voelde je je Mathieu van der Poel in het Toscaanse landschap.

6 uur ’s ochtends, een grijze, druilerige ochtend. De lucht druipt nog van de nachtregen. Een brioche, een espresso bij Bonucci Boulangerie naast de Fortezza Medicea, en dan, BAM! 8.000 renners, een nieuw record voor de 11e editie, ontploffen door de straten van Siena, klaar voor een sufferfest op de eindeloze witte gravelwegen en de meedogenloze golvende heuvels.

De eerste 30 kilometers in het peloton op asfalt schieten voorbij. Dan verschijnt het eerste wit van de gravelsecties. Ik vind mijn groepjes, voel de snelheid, het ritme. Met mijn robuuste Trek Checkpoint, 45 mm Pirelli gravelbanden erop gemonteerd, ben ik in het voordeel tegenover deelnemers die naar Siena afzakten met een racefiets. Elk jaar zijn de racefietsen veruit in de meerderheid. In droge omstandigheden is dat dan ook verstandig: de route bestaat voor 100 km uit asfaltwegen en ’slechts’ 40 km grindwegen. Maar vandaag snel ik op de plakkerige strade bianche grote groepen voorbij.

San Martino in Grania is de langste, zwaarste sectie, diep in de Crete Senesi, het Toscaanse woestijnlandschap. Witte wegen kronkelen over golvende heuvels zover het oog reikt. Bijna tien kilometer omhoog en omlaag, en telkens als je denkt de top te hebben bereikt, ontvouwt zich voor je een nieuwe muur.

Le Tolfe ten noorden van Siena is ook zo’n brute wand. Gisteren zagen we Pogačar hier vliegen. Zelf omhoog worstelen maakt je nog sceptischer. Siena zelf is een aaneenschakeling van heuvels en dalen, een eindeloze dans van op- en af.

Onder de Fontebranda-poort naar de oude stad volgt de laatste dans, de beroemde laatste kilometer: Via Santa Caterina, 18%. De aanmoedigingen van de menigte die langs de kanten van deze smalle middeleeuwse straat postvat, geeft kippenvel op de benen, onder de opgedroogde witte modder tenminste. Na de laatste bocht uit de smalle steegjes opent het p Piazza del Campo zich magistraal, en bijna automatisch beweegt de adrenaline je tot een sprint en een zegegebaar aan de meet. Iedereen die deze race finisht, is een winnaar.






